Knipsels – terug naar homepage

Knipsels

  1. Politierapport 1940-1945

    Ik lees Politierapport 1940-1945, een gedetailleerd (dag)boek van hoofdagent Henk Kraaijenbrink over zijn dienstjaren in Harderwijk tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    In het boek, dat ik tweedehands kocht, zaten twee met de hand getypte a4-tjes. De schrijver en zijn bedoelingen zijn mij onbekend, maar het is dusdanig interessant dat ik het graag openbaar wil maken:

    1940 – 1945 is een periode die ik mij onmogelijk kan herinneren, wat ik ervan weet heb ik ‘van horen zeggen’. Bij de bevrijding van Harderwijk, op 18 april 1945, waar ik toen met mijn ouders woonde was ik 2 jaar en 11 maanden. Mijn oudste zus was 4 jaar en 8 maanden.
    Toch zijn er uit die periode dingen die ik mij wel kan herinneren, zoals oom Jaap, die zes weken bij ons logeerde en waarvan later bleek dat hij helemaal geen Jaap heette maar Rein. Over diezelfde Rein of Reinier Mooij schrijft ook Hendrik Kraaijenbrink in zijn boek ‘Politierapport 1940-1045’.

    Zomer 1995 ontdekte ik het boek ‘De Schalkhaarders‘ over de politieopleiding tijdens de tweede wereldoorlog en wat er met en rond deze politiemensen gebeurde. Als politieman was ik daarin uiteraard zeer geïnteresseerd.
    In dat boek werd o.a. het boek van H. Kraaijenbrink, de oud korpschef van Politie te Harderwijk genoemd, als de schrijver van een boek over de oorlogsjaren in Harderwijk, uitgegeven in 1986.
    Diezelfde Kraaijenbrink was na de oorlog jarenlang voorzitter en Hopman van de Ragay-groep van de Ned. Padvinders Vereniging te Harderwijk. In die periode heb ik Kraaijenbrink persoonlijk leren kennen, daar ik als verkenner deel uitmaakte van dezelfde groep.

    Na enige moeite gelukte het om ook een exemplaar van dat boek te pakken te krijgen. Op blz 26 wordt voor het eerst Rein Mooij genoemd, met daarbij vermeld dat hij zijn verzet tegen de Duitsers met de dood heeft moeten bekopen. Dat Kraaijenbrink dat in zijn boek schrijft is niet zo vreemd. De Duitsers hadden zelf dit verhaal rondgestrooid. Het werd o.a. bij ons thuis aan de deur door iemand verteld, terwijl Rein Mooij 1 etage hoger op bed lag en het verhaal woordelijk kon verstaan.
    Rein Mooij heeft de oorlog overleefd en kwam op 18 april ’45 bij mijn ouders langs om te laten weten dat het goed met hem ging. Onze buren kwamen mijn ouders even laten weten dat dat nu die Rein Mooij was waarnaar de Duitsers zo intensief hadden gezocht. Rein Mooij antwoordde daarop dat ze wel eens wat voorzichtiger hadden mogen zijn met dat clandestiene varken, omdat hij meerdere keren door het geknor van dat beest niet had kunnen slapen. Na de oorlog is Rein Mooij geëmigreerd naar Canada en woont in Vancouver.

    Op 23 oktober 1995 trek ik de stoute schoenen aan en bel naar het adres van ene H. Kraaijenbrink in Zutphen. Het blijkt inderdaad mijn Hopman te zijn. Het telefoongesprek duurt ruim een half uur. De heer Kraaijenbrink is 88 jaar en hoewel hij van tijd tot tijd in herhalingen vervalt, is hij nog erg goed, alleen het lopen gaat wat minder.

    Bij het lezen van het boek van Kraaijenbrink valt het op dat heel veel dingen die elders in Nederland door de Duitsers zwaar gestraft worden in Harderwijk steeds weer met een sisser aflopen. Steeds weer lees je de burgemeester, de heer Vos, naar de Ortskommandant gaat en de zaak wordt geregeld. Steeds weer verbaas je je daarbij over het ogenschijnlijke gemak waarmee dat gebeurde. Pas jaren na de oorlog heeft ook Kraaijenbrink van de heer Vos vernomen hoe dat mogelijk was. Tijdens het telefoongesprek op 23 oktober 1995 vertelde de heer Kraaijenbrink mij het volgende:

    De heer Vos is al jaren gepensioneerd als hij de heer Kraaijenbrink weer eens spreekt en hem vertelt dat hij op een gegeven moment een telefoontje kreeg van een Duits sprekende man die een afspraak met hem maakt. Enige tijd later stopt er dan een Oostenrijkse auto voor zijn woning aan de Slingerlaan te Harderwijk, waarheen de heer Vos dan inmiddels – vanaf de Plantage – is verhuisd.
    De man die even later aanbelt stelt zich voor als de heer Schager. De heer Vos denkt onmiddellijk terug aan de oorlogsjaren, immers de Oostenrijkse Ortskommandant in Harderwijk heette ook zo. De heer Schager blijkt diens zoon te zijn.
    Hij heeft z’n vader op diens sterfbed moeten beloven de groeten te gaan doen aan de heer Vos. De zoon heeft zich dus aan die belofte gehouden. Bij dat verhaal vertelt de heer Vos ook dat hij al tijdens de oorlogsjaren wist dat Schager SR lid was van het Oostenrijkse verzet, maar dat toen uiteraard nooit heeft kunnen vertellen.

    De vele vraagtekens over het gemak waarmee van alles werd geregeld, werden dankzij deze aanvullende informatie eerder groter dan kleiner en werden voorzien van uitroeptekens.

  2. Beter 3 jaar mobilisatie dan 3 minuten vechten

    Ik lees Beter 3 jaar mobilisatie dan 3 minuten vechten, een uitgebreid boek over de Duitse inval in Nederland in de Achterhoek tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Op pagina 110 staat een foto van twee soldaten waarbij een Hembrug geweer als geïmproviseerd affuit voor een Lewis M20 mitrailleur wordt gebruikt. Deze luchtdoelopstelling fascineert me en ik ben benieuwd of hier meer informatie over te vinden is.

    Op de website van de Historische Collectie Grondgebonden Luchtverdediging staat een aantal foto’s met een soortgelijke opstelling. Ik wil dat museum graag een keer bezoeken want ik ben benieuwd hoe dat opzetstuk voor de Hembrug er in het echt uit ziet.

    Overigens wordt op pagina 18 de naam van soldaat Paul Kleijer genoemd. Zou dat familie van mij zijn?

  3. Schwerer Achtrad Panzerspähwagen

    Op 24 januari 2026 bezocht ik de Wehrtechnische Studiensammlung in Koblenz. Hier wordt een Schwerer Panzerspähwagen tentoongesteld. Dit type Sd.Kfz. 231 heeft 8 wielen en is als één van de laatst overgebleven exemplaren uniek in zijn soort.

    De Sd.Kfz. 231 (8-Rad) geldt als de oervader van 8-wielige pantservoertuigen. Met dit voertuig werd de 8×8 met all-wheel drive en all-wheel steering geïntroduceerd. De Sd.Kfz. 231 was de directe voorloper van de latere Sd.Kfz. 234 waarvan ik exemplaren in het Tankmuseum Bovington en Panzermuseum Munster bezocht.

  4. Soldbuch Hülle für Militär-Papiere

    Op 20 januari 2024 kocht ik een originele Soldbuch Hülle voor Militär-Papiere uit de Eerste Wereldoorlog. De “hülle” is een kartonnen insteekhoesje waarin een soldaat zijn Militärpaß kon opbergen om hem op die manier beter te beschermen tegen slijtage.

    Het mapje dat ik kocht hoort bij het 10. Rheinisches Infanterie-Regiment Nr. 161. Op de voorkant staat goudgekleurd versierd “IR 161” met daaronder “Militär-Papiere. Gesetz geschützt.”

    Voor zover ik heb begrepen werden deze mapjes niet standaard door het leger verstrekt maar werd door soldaten privé gekocht.

  5. De eerste walvisvaart van de “Willem Barendsz”

    Ik lees de eerste walvisvaart van de “Willem Barendsz”, een beschrijving van scheepsarts Melchior over het eerste naoorlogse Nederlandse walvis jachtseizoen in 1946/1947. Het boek verscheen rond 1947 en beschreef de barre omstandigheden aan boord, de hygiëne, de medische problemen en de organisatie op een kritische manier. De publicatie leidde tot flinke commotie.

  6. Toiletgerief in vestingwerken

    Ik lees Toiletgerief in vestingwerken, latrinebunkers in de Atlantikwall. Na ruim 5 jaar heb ik eindelijk dit begerenswaardige titeltje weten te bemachtigen. “Bezit van de zaak, is het einde van het vermaak” zeggen ze vaak. Ik ben benieuwd of dit fascinerende boekje de verwachtingen waar kan maken.

    Het is een klein boekje die op een humoristische wijze de ontwikkeling van ’toiletgerief’ in bunkers en vestingen beschrijft. Op de laatste pagina vinden we zelfs een velletje wc papier ingeplakt met de afkorting z.b.V. (zur besonderen Verwendung).

  7. Der Tiger

    Op 27 december 2025 bezocht ik Oorlogsmuseum Overloon. Hier staat tijdelijk de Tiger I tank die ik eerder dat jaar ook in Panzermuseum Munster zag. Het enige verschil is dat in de tussenliggende tijd het nummer 312 op de koepel is aangebracht. Deze tank is eigendom van Christian Hoebig en heeft als bijnaam “Frankentiger” omdat het uit onderdelen van verschillende Tigers is samengesteld. Het doel is om de tank in de komende jaren rijdend te krijgen.

    Het nummer is een driecijferige identificatie dat de positie van de tank binnen de eenheid aangaf. Het systeem was grotendeels gestandaardiseerd vanaf ongeveer 1938/1939 en werd gebruikt tot het einde van de oorlog.

    • Eerste cijfer = compagnie, vaak 1 t/m 8 of 9, afhankelijk van de structuur van het pantserregiment.
    • Tweede cijfer = peloton, meestal 1 t/m 4 of 5.
    • Derde cijfer = individuele tank binnen dat peloton, vaak 1 t/m 5 (waarbij 1 meestal de pelotonscommandant was).

    Onlangs zag ik de film Der Tiger. Het aardige is dat op de koepel van de (replica) Tiger I, die in de film werd gebruikt, nummer 311 was aangebracht.

  8. Rollend schild

    Op 24 januari 2026 bezocht ik de Wehrtechnische Studiensammlung in Koblenz. Hier wordt een rollend schild tentoongesteld, een “Ein-Mann-Kriech-Panzer” uit de Eerste Wereldoorlog.

    Het rollend schild (Frans: bouclier roulant) is een militair experiment uit de Eerste Wereldoorlog, voornamelijk ontwikkeld en getest door het Franse leger.

    Het was bedoeld als bescherming op het slagveld voor één soldaat. Ze waren zwaar, moeilijk te manoeuvreren en kwetsbaar.

    Het is een merkwaardig ding waarvan ik het bestaan nog niet wist.

    De volgende 2 plaatjes komen uit “École de mines-supplément au livre de l’officier” van 22 januari 1917 en laten zien hoe het rollend schild gebruikt werd. Ik heb dit boekje direct op m’n wensenlijst gezet.

  9. Gradnetz glaskaart van Fliegerhorst Deelen

    Op 18 september 2024 bezocht ik Museum Vliegbasis Deelen.

    Op de bovenverdieping wordt een Gradnetz glaskaart gerestaureerd. Deze ligt in duizenden stukjes en moet als een puzzel in elkaar gezet worden. Een vrijwilliger van het museum was zo vriendelijk en nodigde me uit om de voortgang te komen bekijken.

    Een belangrijk gebouw op ‘Klein Heidekamp’ is de Gevechtsleiding/Commandopost, de ‘Geschwader befehlstelle’. Oberst Falck had hier zijn kantoor. Hier kwam ook informatie binnen dat verwerkt was in Diogenes. Hier werd na de oorlog een kapot geslagen glasplaat gevonden. Deze 2 bij 3 meter grote plaat, de zogenaamde ‘Gradnetz’, bevatte vlakverdelingen waar posities van vliegtuigen op aangegeven werd.

    Na het bezoek aan het museum bezocht ik ook bunker Diogenes. Deze bunker fungeerde vanaf eind 1943 als regionaal commandocentrum voor de Duitse nachtjacht en luchtverdediging in een groot deel van Noordwest-Europa. In de bunker (met een nog veel grotere glazen Gradnetz-kaart) kwamen alle radarwaarnemingen, peilberichten en waarnemingen van jagers samen. Onder andere Würzburg Riese raders stuurden hun data naar de bunker. In de bunker werden o.a. de radarposities geplot op de glazen kaart door de Luftwaffenhelferinnen (Blitzmädel) met lichtpuntjes.

  10. Würzburg Riese radar museum Overloon

    Op 27 december 2025 bezocht ik museum Overloon.

    In de voertuigen hal, achter een vrachtwagen, staat tegen de buitenmuur een gedemonteerde Würzburg Riese radar. Dit type radar werd eind jaren 30, begin jaren 40, ontwikkeld door Telefunken. De parabolische antenne werd geproduceerd door Luftschiffbau Zeppelin. Deze radars werden door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor het nauwkeurig volgen van vijandelijke bommenwerpers en om luchtafweer en nachtjagers aan te sturen. Ik heb begrepen dat deze eerder buiten het museum heeft gestaan maar dat hij had te lijden onder de elementen. Van een aanwezige vrijwilliger begreep ik dat hij hier nu ligt te wachten op restauratie.

    Deze radar heeft met nog twee andere Würzburg Riese radars bij Radio Kootwijk gestaan. Ze werden in de jaren 50 door Nederlandse astronomen gebruikt om de melkweg in kaart te brengen en zonneonderzoek te doen. Één van de radar schotels staat nu bij museum vliegbasis Deelen, een tweede bij Oorlogsmuseum Overloon en een derde radar staat bij Planetron in Dwingeloo.