Knipsels – terug naar homepage

Knipsels

  1. Familiewapen Kleijer Door op in Knipsels over Putten.

    Onbekende Duitse soldaat geïdentificeerd

    In het artikel over het massagraf met 9 onbekende Duitse soldaten wordt aangegeven dat deze op 26 en 27 april 1955 werden herbegraven op de Duitse Militaire begraafplaats in Ysselsteyn. In het dossier dat ik op het Gemeentearchief van Putten hierover mocht inzien is ook een “rapport van overbrenging” opgenomen, een rapport met alle bekende gegevens van een opgegraven persoon.

    Één van de onbekende soldaten met registratie D4319 werd op 27 april 1955 op de Duitse Militaire begraafplaats herbegraven in vak AM, rij 5, grafnummer 112. Hij droeg op dat moment een half herkenningsplaatje bij zich met opdruk “2281 – 19./L.G.Nachr.Rgt.11”.

    Het Luftgau-Nachrichten-Regiment 11 was een Luftwaffe-eenheid verantwoordelijk voor communicatie en verbindingen onder Luftgau XI (hoofdkwartier in Hannover). Dergelijke regimenten verzorgden telefoon-, radio- en andere verbindingen voor luchtmachteenheden en ondersteunende operaties. De aanwezigheid van deze compagnie in de omgeving van Putten past bij de algehele Duitse terugtocht en ad-hoc-verdediging in april 1945.

    Men schatte zijn lengte op 1.65m en hij had blond haar. Hij droeg een leren etui met stalen spiegel en een gladde stalen ring bij zich. De persoonlijke eigendommen werden samen met de stoffelijke resten in het nieuwe graf herbegraven. Het lichaam was op dat moment gehuld in resten van een Duits militair uniform met blauwe benen knopen (Luftwaffe), blauwe wollen trui en gewone militaire schoenen, maat 42.

    Op 16 mei 2026 bezocht ik de Duitse Militaire begraafplaats in Ysselsteyn en ging op zoek naar de graven van de onbekende soldaten. Ik was in de veronderstelling dat alle grafstenen van de onbekende soldaten uit het massagraf in Putten voorzien zouden zijn van de tekst “Ein Deutscher Soldat”, wat ook het geval was op één soldaat na.

    Groot was de verrassing toen ik graf AM 5-112 naderde en daar de naam Wilhelm Zilch zag staan. Blijkbaar was het de Duitse gravendienst gelukt om deze soldaat te identificeren. Als dienstgraad staat Funker op de grafsteen, wat goed past bij het regiment waarbij hij diende.

    Wilhelm Zilch werd op 15 juli 1903 geboren in Weiskirchen en was getrouwd met Anna Elisabeth Köhler. Hij overleed medio april 1945 in Putten, hoogstwaarschijnlijk na gevechtshandelingen. Hij kreeg als sterfdatum 18 april 1945, de dag dat Putten werd bevrijd. In 1960 kreeg zijn vrouw uitsluitsel over het lot van haar man:

    Auf Grund der Anzeige der Deutschen Dienststelle für die Benachrichtigung der nächsten Angehörigen von Gefallenen der ehemaligen deutschen Wehrmacht, Berlin-Wittenau, vom 7. November 1958, wird berichtigend vermerkt, daß der Verstorbene Mitte April 1945, ganauer Todestag nicht feststellbar, im Nordabschnitt der Westfront gefallen ist.

  2. Familiewapen Kleijer Door op in Knipsels over Putten.

    9 onbekende Duitsche militairen in 1 graf

    In het verhaal van Het raadsel bij kruispunt ’t Puttertje wordt gesproken over omgekomen Duitse soldaten die werden begraven op de begraafplaats in Putten.

    De gesneuvelde Duitse soldaten zijn op de morgen van 18 april 1945 in een tijdelijk massagraf op de Algemene Begraafplaats aan de Molenstraat begraven.

    In het Gemeentearchief van Putten is een dossier, mapnummer 102, met daarin onder andere informatie over onderhoud van graven van Duitsers en overbrenging van alhier begraven Duitsers naar het kerkhof voor Duitse gesneuvelden te IJsselstein-Venray. Op 7 mei 2026 bezocht ik het archief om dit dossier in te zien.

    In de map zit een aantekening van de Politie Motor Dienst waarin schematisch de ligging van het massagraf wordt aangegeven. Ten minste, zo lijkt het, de notitie is daarin niet geheel duidelijk. Op de voorkant wordt onderaan de graven van geallieerde soldaten aangegeven, deze graven zijn nu nog aanwezig. Daarboven staat de tekst “9 onbekende Duitsche militairen in 1 graf”, mogelijk is dit dus achter de geallieerde graven.
    Op de achterkant van de aantekening staat een kruis getekend met de tekst “18/4/45 9 unbekannte Deutsche soldaten”, met daaronder een Maltezer kruis. Ik neem aan dat dit een weergave van de toenmalige fysieke markering van het massagraf was.

    Als we de tegenwoordige begraafplaats bezoeken, dan vinden we daar de geallieerde graven terug. Achter die graven zijn lege plekken. Mogelijk is dat de locatie van het massagraf waarin de Duitse soldaten begraven lagen.

    Op 14 april 1955 kwam een verzoek van het Ministerie van Oorlog, afdeling gravendienst, om de stoffelijke resten der onbekende Duitse gesneuvelden … te doen opgraven en overbrengen naar het kerkhof voor Duitse gesneuvelden. Op 26 en 27 april 1955 werden deze soldaten herbegraven op de Duitse Militaire begraafplaats in Ysselsteyn.

    Als je er rekening mee houdt dat het massagraf tot april 1955 bezet is geweest, dan zou je kunnen nagaan welke graven daarvoor in aanmerking komen. De meeste graven in dat deel van het kerkhof zijn vanaf 1944 t/m 1947 in gebruik. Slechts enkele graven worden pas na 1955 in gebruik genomen en komen dus in aanmerking om daarvóór gebruikt te zijn geweest voor het Duitse massagraf. Het gaat om grafnummer 662, 664, 667, 668, 685, 689, 693 en 764.

  3. Familiewapen Kleijer Door op in Knipsels over Putten.

    Tiger tank in Putten?

    Is er in de Gemeente Putten, tijdens de Tweede Wereldoorlog, door de Duitsers een Tiger tank ingezet? Die vraag intrigeert me en wordt gevoed door een artikel in de Veluwse Kroniek met de titel: Het raadsel bij kruispunt ’t Puttertje.

    De bevrijding van het dorp Putten is vrijwel zonder slag of stoot verlopen. Behalve de nachtelijke beschietingen van 15 op 16 en van 16 op 17 april op afstand, zijn er geen gevechten te melden tussen de Duitsers en Canadezen. Toch hebben de omwonenden van het kruispunt bij hotel ’t Puttertje op 17 april 1945 rond 10 uur ’s avonds het geratel van mitrailleurs, en het gierende geluid van inslaande granaten gehoord. Ook de bewoners van de Dorpsstraat-Molenstraat weten er van mee te praten. Er is gevochten in het dorp. Hun huizen werden door granaatscherven getroffen. Wat kon er gebeurd zijn?
    Tegen elf uur zagen jongens die uit de Dorpsstraat kwamen lopen bij de schoenwinkel van Van Boeijen een vreemde tank staan. Er was geen bemanning bij. Wel zagen zij tientallen dode Duitse militairen liggen. Een luguber gezicht.
    Uit de militaire rapporten van zowel de Duitse als van de Canadese legerleiding is over een schietpartij in het dorp Putten niets te vinden. Ook in de dagboeken die militairen zelf bijhielden wordt niet over een treffen gesproken. Men neemt aan dat de Duitsers ter plaatse op hun eigen troepen hebben geschoten.
    Na de slag bij ‘De Heihaas’ waren Duitse troepen naar Putten gereden met onder andere een drietal onbeschadigde Shermantanks als oorlogsbuit. Deze tanks waren nog niet overgeschilderd met de Duitse kleuren en oorglogskruis. Waarschijnlijk hebben de Duitsers die met hun Tiger tank het kruispunt moesten bewaken één der tanks voor een vijandelijk voertuig aangezien, hetgeen in feite ook zo was (al reden er Duitse soldaten in) en er op geschoten. De bemanning van de Sherman tank kon ook in het donker zijn tegenpartij niet zien en schoot terug.
    De andere morgen zagen omwonenden van ’t Puttertje de stuk geschoten Tiger tank staan, waarvan de bemanning nog getracht had te ontkomen door hun tank dwars door een muur te rijden.
    De gesneuvelde Duitse soldaten zijn op de morgen van 18 april 1945 in een tijdelijk massagraf op de Algemene Begraafplaats aan de Molenstraat begraven.
    Via het kruispunt bij ’t Puttertje zijn honderden Duitse soldaten die uit de bossen rond Putten naar Nijkerk en Harderwijk trokken ontkomen. Er zijn ook schoten gehoord rond de Weverstraat doch kan op een misverstand berusten.

    Volgens een (gedeeltelijke) inventarisatie van pantservoertuigen van Oberbefehlshaber West van 2 april 1945 was er in de regio geen enkele Tiger tank meer beschikbaar. De Panther tank was op dat moment ook nergens meer te bekennen.
    Er was 1 Jagdtiger inzetbaar, maar er waren vooral Stug III en Jagdpanzer 38 te zien op het strijdtoneel (regio West, waaronder ook Nederland). Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat in Putten een Tiger tank actief is geweest, hoewel het niet helemaal valt uit te sluiten. Het is waarschijnlijker dat men een ander type tank als Tiger heeft aangezien.
    Een Jagdtiger behoort theoretisch tot de mogelijkheden, maar dat is wensdenken. Historici zijn het er over eens dat er geen enkele Jagdtiger ingezet is in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

  4. Politierapport 1940-1945

    Ik lees Politierapport 1940-1945, een gedetailleerd (dag)boek van hoofdagent Henk Kraaijenbrink over zijn dienstjaren in Harderwijk tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    In het boek, dat ik tweedehands kocht, zaten twee met de hand getypte a4-tjes. De schrijver en zijn bedoelingen zijn mij onbekend, maar het is dusdanig interessant dat ik het graag openbaar wil maken:

    1940 – 1945 is een periode die ik mij onmogelijk kan herinneren, wat ik ervan weet heb ik ‘van horen zeggen’. Bij de bevrijding van Harderwijk, op 18 april 1945, waar ik toen met mijn ouders woonde was ik 2 jaar en 11 maanden. Mijn oudste zus was 4 jaar en 8 maanden.
    Toch zijn er uit die periode dingen die ik mij wel kan herinneren, zoals oom Jaap, die zes weken bij ons logeerde en waarvan later bleek dat hij helemaal geen Jaap heette maar Rein. Over diezelfde Rein of Reinier Mooij schrijft ook Hendrik Kraaijenbrink in zijn boek ‘Politierapport 1940-1045’.

    Zomer 1995 ontdekte ik het boek ‘De Schalkhaarders‘ over de politieopleiding tijdens de tweede wereldoorlog en wat er met en rond deze politiemensen gebeurde. Als politieman was ik daarin uiteraard zeer geïnteresseerd.
    In dat boek werd o.a. het boek van H. Kraaijenbrink, de oud korpschef van Politie te Harderwijk genoemd, als de schrijver van een boek over de oorlogsjaren in Harderwijk, uitgegeven in 1986.
    Diezelfde Kraaijenbrink was na de oorlog jarenlang voorzitter en Hopman van de Ragay-groep van de Ned. Padvinders Vereniging te Harderwijk. In die periode heb ik Kraaijenbrink persoonlijk leren kennen, daar ik als verkenner deel uitmaakte van dezelfde groep.

    Na enige moeite gelukte het om ook een exemplaar van dat boek te pakken te krijgen. Op blz 26 wordt voor het eerst Rein Mooij genoemd, met daarbij vermeld dat hij zijn verzet tegen de Duitsers met de dood heeft moeten bekopen. Dat Kraaijenbrink dat in zijn boek schrijft is niet zo vreemd. De Duitsers hadden zelf dit verhaal rondgestrooid. Het werd o.a. bij ons thuis aan de deur door iemand verteld, terwijl Rein Mooij 1 etage hoger op bed lag en het verhaal woordelijk kon verstaan.
    Rein Mooij heeft de oorlog overleefd en kwam op 18 april ’45 bij mijn ouders langs om te laten weten dat het goed met hem ging. Onze buren kwamen mijn ouders even laten weten dat dat nu die Rein Mooij was waarnaar de Duitsers zo intensief hadden gezocht. Rein Mooij antwoordde daarop dat ze wel eens wat voorzichtiger hadden mogen zijn met dat clandestiene varken, omdat hij meerdere keren door het geknor van dat beest niet had kunnen slapen. Na de oorlog is Rein Mooij geëmigreerd naar Canada en woont in Vancouver.

    Op 23 oktober 1995 trek ik de stoute schoenen aan en bel naar het adres van ene H. Kraaijenbrink in Zutphen. Het blijkt inderdaad mijn Hopman te zijn. Het telefoongesprek duurt ruim een half uur. De heer Kraaijenbrink is 88 jaar en hoewel hij van tijd tot tijd in herhalingen vervalt, is hij nog erg goed, alleen het lopen gaat wat minder.

    Bij het lezen van het boek van Kraaijenbrink valt het op dat heel veel dingen die elders in Nederland door de Duitsers zwaar gestraft worden in Harderwijk steeds weer met een sisser aflopen. Steeds weer lees je de burgemeester, de heer Vos, naar de Ortskommandant gaat en de zaak wordt geregeld. Steeds weer verbaas je je daarbij over het ogenschijnlijke gemak waarmee dat gebeurde. Pas jaren na de oorlog heeft ook Kraaijenbrink van de heer Vos vernomen hoe dat mogelijk was. Tijdens het telefoongesprek op 23 oktober 1995 vertelde de heer Kraaijenbrink mij het volgende:

    De heer Vos is al jaren gepensioneerd als hij de heer Kraaijenbrink weer eens spreekt en hem vertelt dat hij op een gegeven moment een telefoontje kreeg van een Duits sprekende man die een afspraak met hem maakt. Enige tijd later stopt er dan een Oostenrijkse auto voor zijn woning aan de Slingerlaan te Harderwijk, waarheen de heer Vos dan inmiddels – vanaf de Plantage – is verhuisd.
    De man die even later aanbelt stelt zich voor als de heer Schager. De heer Vos denkt onmiddellijk terug aan de oorlogsjaren, immers de Oostenrijkse Ortskommandant in Harderwijk heette ook zo. De heer Schager blijkt diens zoon te zijn.
    Hij heeft z’n vader op diens sterfbed moeten beloven de groeten te gaan doen aan de heer Vos. De zoon heeft zich dus aan die belofte gehouden. Bij dat verhaal vertelt de heer Vos ook dat hij al tijdens de oorlogsjaren wist dat Schager SR lid was van het Oostenrijkse verzet, maar dat toen uiteraard nooit heeft kunnen vertellen.

    De vele vraagtekens over het gemak waarmee van alles werd geregeld, werden dankzij deze aanvullende informatie eerder groter dan kleiner en werden voorzien van uitroeptekens.

  5. Beter 3 jaar mobilisatie dan 3 minuten vechten

    Ik lees Beter 3 jaar mobilisatie dan 3 minuten vechten, een uitgebreid boek over de Duitse inval in Nederland in de Achterhoek tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Op pagina 110 staat een foto van twee soldaten waarbij een Hembrug geweer als geïmproviseerd affuit voor een Lewis M20 mitrailleur wordt gebruikt. Deze luchtdoelopstelling fascineert me en ik ben benieuwd of hier meer informatie over te vinden is.

    Op de website van de Historische Collectie Grondgebonden Luchtverdediging staat een aantal foto’s met een soortgelijke opstelling. Ik wil dat museum graag een keer bezoeken want ik ben benieuwd hoe dat opzetstuk voor de Hembrug er in het echt uit ziet.

    Overigens wordt op pagina 18 de naam van soldaat Paul Kleijer genoemd. Zou dat familie van mij zijn?

  6. Schwerer Achtrad Panzerspähwagen

    Op 24 januari 2026 bezocht ik de Wehrtechnische Studiensammlung in Koblenz. Hier wordt een Schwerer Panzerspähwagen tentoongesteld. Dit type Sd.Kfz. 231 heeft 8 wielen en is als één van de laatst overgebleven exemplaren uniek in zijn soort.

    De Sd.Kfz. 231 (8-Rad) geldt als de oervader van 8-wielige pantservoertuigen. Met dit voertuig werd de 8×8 met all-wheel drive en all-wheel steering geïntroduceerd. De Sd.Kfz. 231 was de directe voorloper van de latere Sd.Kfz. 234 waarvan ik exemplaren in het Tankmuseum Bovington en Panzermuseum Munster bezocht.

  7. Soldbuch Hülle für Militär-Papiere

    Op 20 januari 2024 kocht ik een originele Soldbuch Hülle voor Militär-Papiere uit de Eerste Wereldoorlog. De “hülle” is een kartonnen insteekhoesje waarin een soldaat zijn Militärpaß kon opbergen om hem op die manier beter te beschermen tegen slijtage.

    Het mapje dat ik kocht hoort bij het 10. Rheinisches Infanterie-Regiment Nr. 161. Op de voorkant staat goudgekleurd versierd “IR 161” met daaronder “Militär-Papiere. Gesetz geschützt.”

    Voor zover ik heb begrepen werden deze mapjes niet standaard door het leger verstrekt maar werd door soldaten privé gekocht.

  8. De eerste walvisvaart van de “Willem Barendsz”

    Ik lees de eerste walvisvaart van de “Willem Barendsz”, een beschrijving van scheepsarts Melchior over het eerste naoorlogse Nederlandse walvis jachtseizoen in 1946/1947. Het boek verscheen rond 1947 en beschreef de barre omstandigheden aan boord, de hygiëne, de medische problemen en de organisatie op een kritische manier. De publicatie leidde tot flinke commotie.

  9. Toiletgerief in vestingwerken

    Ik lees Toiletgerief in vestingwerken, latrinebunkers in de Atlantikwall. Na ruim 5 jaar heb ik eindelijk dit begerenswaardige titeltje weten te bemachtigen. “Bezit van de zaak, is het einde van het vermaak” zeggen ze vaak. Ik ben benieuwd of dit fascinerende boekje de verwachtingen waar kan maken.

    Het is een klein boekje die op een humoristische wijze de ontwikkeling van ’toiletgerief’ in bunkers en vestingen beschrijft. Op de laatste pagina vinden we zelfs een velletje wc papier ingeplakt met de afkorting z.b.V. (zur besonderen Verwendung).

  10. Der Tiger

    Op 27 december 2025 bezocht ik Oorlogsmuseum Overloon. Hier staat tijdelijk de Tiger I tank die ik eerder dat jaar ook in Panzermuseum Munster zag. Het enige verschil is dat in de tussenliggende tijd het nummer 312 op de koepel is aangebracht. Deze tank is eigendom van Christian Hoebig en heeft als bijnaam “Frankentiger” omdat het uit onderdelen van verschillende Tigers is samengesteld. Het doel is om de tank in de komende jaren rijdend te krijgen.

    Het nummer is een driecijferige identificatie dat de positie van de tank binnen de eenheid aangaf. Het systeem was grotendeels gestandaardiseerd vanaf ongeveer 1938/1939 en werd gebruikt tot het einde van de oorlog.

    • Eerste cijfer = compagnie, vaak 1 t/m 8 of 9, afhankelijk van de structuur van het pantserregiment.
    • Tweede cijfer = peloton, meestal 1 t/m 4 of 5.
    • Derde cijfer = individuele tank binnen dat peloton, vaak 1 t/m 5 (waarbij 1 meestal de pelotonscommandant was).

    Onlangs zag ik de film Der Tiger. Het aardige is dat op de koepel van de (replica) Tiger I, die in de film werd gebruikt, nummer 311 was aangebracht.