Knipsels – terug naar homepage

Knipsels over de tweede wereldoorlog

  1. Vickers Wellington W.5375

    De Vickers Wellington bommenwerper die door Egmont Prinz zur Lippe-Weißenfeld op 10 april 1941 om 00:59 boven Nederland uit de lucht werd geschoten stortte neer in het IJsselmeer. De gehele bemanning kwam daarbij om het leven. Het vliegtuig was op 9 april 1941 om 22:30 vanaf vliegveld Binbrook in Engeland opgestegen. Met 3 andere Vickers Wellington bommenwerpers had het als doel om de dokken van de haven van Emden (Noordwest-Duitsland) te bombarderen. Iedere bommenwerper droeg een lading van 8 x 250 of 4 x 500 pond reguliere bommen en 120 x 4 pond of 2 small bomb containers met ieder 90 x 4 pond brandbommen.

    Aan boord waren de volgende bemanningsleden:

    In The National Archives vond ik de volgende toelichting over deze vlucht:

    This was the first operational trip of this crew in its entirety on Wellingtons. Unfortunately no more was heard of them, although some days later the German radio reported that a dinghy with three officers and two sergeants had been picked up off their coast. The loss of this crew was to be particularly regretted as it consisted of the Commanding Officer, the Squadron Gunnery Leader and the Squadron Bombing Leader. It was also the start of F/O Marshall’s second tour of operational flying. He had already completed 27 successful trips in No. 3 Group.

    Op 30 augustus 2026 bezocht ik het graf van Flying Officer Harold Marshall op de Begraafplaats Oostergaarde in Harderwijk. Hier werd hij op 14 juli 1941 begraven.

    Op 14 september 2026 bezocht ik het graf van Sergeant Duncan McDougall en Sergeant George Bishop op de begraafplaats Rusthof Amersfoort. Hier vonden zij op 18 juli 1947 hun laatste rustplaats.

    De Vickers Wellington werd neergehaald door Egmont Prinz zur Lippe-Weißenfeld, een achterneef van Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld. Hij vloog in een Messerschmitt Me 110 bij het NJG1 (Nachtjagdgeschwader 1) die onder bevel stond van Wolfgang Falck.

    Wat het neerhalen van de Vickers Wellington voor de Duitse zijde betekende lezen we in het boek Wespennest Leeuwarden:

    Zur Lippes overwinning betekende tegelijkertijd de 100ste nachtelijke overwinning van het Nachtjagdgeschwader I. Op 24 april werd dit gedenkwaardige feit op gepaste wijze in het Amstel Hotel in Amsterdam gevierd, waarbij alle prominenten van de Duitse nachtjacht tegenwoordig waren. Behalve de Kommodore, Major Wolfgang Falck, namen aan het feestdiner deel General Josef Kammhuber, Oblt. Helmut Lent, Oblt. Prinz zur Lippe-Weissenfeld, Oblt. Werner Streib, Hptm. Walter Ehle en vele anderen, alsmede een aantal mannen van de flakafdelingen die bij de ‘Reichsverteidigung’ eveneens een rol hadden gespeeld; in totaal ca. 200 personen. Alles was ‘grossartig’ georganiseerd: uitgelezen spijzen alsmede een verscheidenheid aan uitstekende wijnen werd de mannen geserveerd. Zowel generaal Kammhuber als Major Falck hielden redevoeringen waarvan de inhoud zich laat raden. De nacht werd in hotels doorgebracht; eerst de volgende dag keerden de mannen naar hun respectievelijke garnizoenen terug.

  2. Falkenjahre

    Ik lees Falkenjahre, de memoires van militaire luchtvaart pionier Wolfgang Falck. Hij stond tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de wieg van de nachtjacht. Radar technologie, waaronder de Würzburg Riese, werd toen voor het eerst toegepast door de Luftwaffe. Hij was commandant van Fliegerhorst Deelen van 1940-1943.

    Op pagina 202 wordt Egmont Prinz zur Lippe-Weißenfeld genoemd. Over hem schreef ik al eerder naar aanleiding van een bezoek aan Bunkermuseum Vlieland.

    In der Nacht vom 9. auf den 10. April schoß Egmont Prinz zur Lippe-Weißenfeld von der 4. Staffel über der Zuidersee eine Vickers Wellington ab und erziehlte damit den 100. Luftsieg des Geschwaders, das vor weniger als einem Jahr aufgestellt worden war.

    In het boek Wespennest Leeuwarden vond ik over dit luchtgevecht een naar het Nederlands vertaalde ‘Abschussmeldung mit Gefechtsbericht’:

    Op 9-4-’41 om 23.30 uur startte ik met het vliegtuig Bf 110 GM-KM met de opdracht “donkere nachtjacht in de sector Hering”. Na verscheidene vergeefse pogingen kreeg ik via een koersinstructie van Lt. Jauk contact met de vijand: een binnenvliegende Vickers Wellington. Ik manoeuvreerde me van een afstand van ongeveer 100 m van achteronder naar de tegenstander toe. Na de eerste vuurstoot had de tegenstander me opgemerkt, gaf afweervuur af en draaide naar rechts weg. Na de tweede aanval drukte de vijandelijke machine zich sterk weg, om na de derde scherp op te trekken en in een bocht van 360 graden te gaan. In deze bocht had de vierde aanval plaats. Na de vijfde aanval begon de linkermotor te branden en nadat de vijandelijke machine zich opnieuw sterk weggedrukt had, ontplofte ze in vier stukken en stortte brandend neer. Neerstorting 00.59 uur graadnet 5342 Zuiderzee bij Harderwijk.

    Hieruit blijkt, dat achtervolgingen buiten de nachtjachtsector in dit vroege stadium van de oorlog wel degelijk plaatshadden.

    We nemen aan dat de door Oblt. zur Lippe neergeschoten machine de Wellington W 5375 PH-‘D for Dog’ van het 12de Squadron was, waarvan de bemanningsleden op verschillende plaatsen op de IJsselmeerkust aanspoelden of door vissers aan land werden gebracht: de Captain W/Cdr. Vivian Q. Blackden vond in Lemmer, de tweede piloot P/O John C.A. Bond in Bergen, de navigator F/O John du Vernet Broughton in Lemmer, de radiotelegrafisten/schutters Sgt. George H. Bishop en F/Sgt. Duncan McDougal in Amersfoort en de staartschutter, F/O Harold Marshall in Harderwijk een laatste rustplaats.

    “graadnet 5342 Zuiderzee” ligt overigens niet bij Harderwijk, maar in het noordelijk deel van het IJsselmeer.

    Wolfgang Falck werd geboren op 19 augustus 1910 in Berlijn en overleed op 13 maart 2007 op 96-jarige leeftijd in St. Ulrich, Tirol, Oostenrijk. Daar vond hij ook zijn laatste rustplaats op de begraafplaats “Friedhof St. Ulrich am Pillersee”.

  3. Politierapport 1940-1945

    Ik lees Politierapport 1940-1945, een gedetailleerd (dag)boek van hoofdagent Henk Kraaijenbrink over zijn dienstjaren in Harderwijk tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    In het boek, dat ik tweedehands kocht, zaten twee met de hand getypte a4-tjes. De schrijver en zijn bedoelingen zijn mij onbekend, maar het is dusdanig interessant dat ik het graag openbaar wil maken:

    1940 – 1945 is een periode die ik mij onmogelijk kan herinneren, wat ik ervan weet heb ik ‘van horen zeggen’. Bij de bevrijding van Harderwijk, op 18 april 1945, waar ik toen met mijn ouders woonde was ik 2 jaar en 11 maanden. Mijn oudste zus was 4 jaar en 8 maanden.
    Toch zijn er uit die periode dingen die ik mij wel kan herinneren, zoals oom Jaap, die zes weken bij ons logeerde en waarvan later bleek dat hij helemaal geen Jaap heette maar Rein. Over diezelfde Rein of Reinier Mooij schrijft ook Hendrik Kraaijenbrink in zijn boek ‘Politierapport 1940-1045’.

    Zomer 1995 ontdekte ik het boek ‘De Schalkhaarders‘ over de politieopleiding tijdens de tweede wereldoorlog en wat er met en rond deze politiemensen gebeurde. Als politieman was ik daarin uiteraard zeer geïnteresseerd.
    In dat boek werd o.a. het boek van H. Kraaijenbrink, de oud korpschef van Politie te Harderwijk genoemd, als de schrijver van een boek over de oorlogsjaren in Harderwijk, uitgegeven in 1986.
    Diezelfde Kraaijenbrink was na de oorlog jarenlang voorzitter en Hopman van de Ragay-groep van de Ned. Padvinders Vereniging te Harderwijk. In die periode heb ik Kraaijenbrink persoonlijk leren kennen, daar ik als verkenner deel uitmaakte van dezelfde groep.

    Na enige moeite gelukte het om ook een exemplaar van dat boek te pakken te krijgen. Op blz 26 wordt voor het eerst Rein Mooij genoemd, met daarbij vermeld dat hij zijn verzet tegen de Duitsers met de dood heeft moeten bekopen. Dat Kraaijenbrink dat in zijn boek schrijft is niet zo vreemd. De Duitsers hadden zelf dit verhaal rondgestrooid. Het werd o.a. bij ons thuis aan de deur door iemand verteld, terwijl Rein Mooij 1 etage hoger op bed lag en het verhaal woordelijk kon verstaan.
    Rein Mooij heeft de oorlog overleefd en kwam op 18 april ’45 bij mijn ouders langs om te laten weten dat het goed met hem ging. Onze buren kwamen mijn ouders even laten weten dat dat nu die Rein Mooij was waarnaar de Duitsers zo intensief hadden gezocht. Rein Mooij antwoordde daarop dat ze wel eens wat voorzichtiger hadden mogen zijn met dat clandestiene varken, omdat hij meerdere keren door het geknor van dat beest niet had kunnen slapen. Na de oorlog is Rein Mooij geëmigreerd naar Canada en woont in Vancouver.

    Op 23 oktober 1995 trek ik de stoute schoenen aan en bel naar het adres van ene H. Kraaijenbrink in Zutphen. Het blijkt inderdaad mijn Hopman te zijn. Het telefoongesprek duurt ruim een half uur. De heer Kraaijenbrink is 88 jaar en hoewel hij van tijd tot tijd in herhalingen vervalt, is hij nog erg goed, alleen het lopen gaat wat minder.

    Bij het lezen van het boek van Kraaijenbrink valt het op dat heel veel dingen die elders in Nederland door de Duitsers zwaar gestraft worden in Harderwijk steeds weer met een sisser aflopen. Steeds weer lees je de burgemeester, de heer Vos, naar de Ortskommandant gaat en de zaak wordt geregeld. Steeds weer verbaas je je daarbij over het ogenschijnlijke gemak waarmee dat gebeurde. Pas jaren na de oorlog heeft ook Kraaijenbrink van de heer Vos vernomen hoe dat mogelijk was. Tijdens het telefoongesprek op 23 oktober 1995 vertelde de heer Kraaijenbrink mij het volgende:

    De heer Vos is al jaren gepensioneerd als hij de heer Kraaijenbrink weer eens spreekt en hem vertelt dat hij op een gegeven moment een telefoontje kreeg van een Duits sprekende man die een afspraak met hem maakt. Enige tijd later stopt er dan een Oostenrijkse auto voor zijn woning aan de Slingerlaan te Harderwijk, waarheen de heer Vos dan inmiddels – vanaf de Plantage – is verhuisd.
    De man die even later aanbelt stelt zich voor als de heer Schager. De heer Vos denkt onmiddellijk terug aan de oorlogsjaren, immers de Oostenrijkse Ortskommandant in Harderwijk heette ook zo. De heer Schager blijkt diens zoon te zijn.
    Hij heeft z’n vader op diens sterfbed moeten beloven de groeten te gaan doen aan de heer Vos. De zoon heeft zich dus aan die belofte gehouden. Bij dat verhaal vertelt de heer Vos ook dat hij al tijdens de oorlogsjaren wist dat Schager SR lid was van het Oostenrijkse verzet, maar dat toen uiteraard nooit heeft kunnen vertellen.

    De vele vraagtekens over het gemak waarmee van alles werd geregeld, werden dankzij deze aanvullende informatie eerder groter dan kleiner en werden voorzien van uitroeptekens.

  4. Beter 3 jaar mobilisatie dan 3 minuten vechten

    Ik lees Beter 3 jaar mobilisatie dan 3 minuten vechten, een uitgebreid boek over de Duitse inval in Nederland in de Achterhoek tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Op pagina 110 staat een foto van twee soldaten waarbij een Hembrug geweer als geïmproviseerd affuit voor een Lewis M20 mitrailleur wordt gebruikt. Deze luchtdoelopstelling fascineert me en ik ben benieuwd of hier meer informatie over te vinden is.

    Op de website van de Historische Collectie Grondgebonden Luchtverdediging staat een aantal foto’s met een soortgelijke opstelling. Ik wil dat museum graag een keer bezoeken want ik ben benieuwd hoe dat opzetstuk voor de Hembrug er in het echt uit ziet.

    Overigens wordt op pagina 18 de naam van soldaat Paul Kleijer genoemd. Zou dat familie van mij zijn?

  5. Schwerer Achtrad Panzerspähwagen

    Op 24 januari 2026 bezocht ik de Wehrtechnische Studiensammlung in Koblenz. Hier wordt een Schwerer Panzerspähwagen tentoongesteld. Dit type Sd.Kfz. 231 heeft 8 wielen en is als één van de laatst overgebleven exemplaren uniek in zijn soort.

    De Sd.Kfz. 231 (8-Rad) geldt als de oervader van 8-wielige pantservoertuigen. Met dit voertuig werd de 8×8 met all-wheel drive en all-wheel steering geïntroduceerd. De Sd.Kfz. 231 was de directe voorloper van de latere Sd.Kfz. 234 waarvan ik exemplaren in het Tankmuseum Bovington en Panzermuseum Munster bezocht.

  6. Toiletgerief in vestingwerken

    Ik lees Toiletgerief in vestingwerken, latrinebunkers in de Atlantikwall. Na ruim 5 jaar heb ik eindelijk dit begerenswaardige titeltje weten te bemachtigen. “Bezit van de zaak, is het einde van het vermaak” zeggen ze vaak. Ik ben benieuwd of dit fascinerende boekje de verwachtingen waar kan maken.

    Het is een klein boekje die op een humoristische wijze de ontwikkeling van ’toiletgerief’ in bunkers en vestingen beschrijft. Op de laatste pagina vinden we zelfs een velletje wc papier ingeplakt met de afkorting z.b.V. (zur besonderen Verwendung).

  7. Der Tiger

    Op 27 december 2025 bezocht ik Oorlogsmuseum Overloon. Hier staat tijdelijk de Tiger I tank die ik eerder dat jaar ook in Panzermuseum Munster zag. Het enige verschil is dat in de tussenliggende tijd het nummer 312 op de koepel is aangebracht. Deze tank heeft als bijnaam “Kurland tiger”. Hij dankt zijn bijnaam aan onderdelen teruggevonden in het voormalige Koerland-bruggenhoofd in Letland.

    Het nummer is een driecijferige identificatie dat de positie van de tank binnen de eenheid aangaf. Het systeem was grotendeels gestandaardiseerd vanaf ongeveer 1938/1939 en werd gebruikt tot het einde van de oorlog.

    • Eerste cijfer = compagnie, vaak 1 t/m 8 of 9, afhankelijk van de structuur van het pantserregiment.
    • Tweede cijfer = peloton, meestal 1 t/m 4 of 5.
    • Derde cijfer = individuele tank binnen dat peloton, vaak 1 t/m 5 (waarbij 1 meestal de pelotonscommandant was).

    Onlangs zag ik de film Der Tiger. Het aardige is dat op de koepel van de (replica) Tiger I, die in de film werd gebruikt, nummer 311 was aangebracht.

  8. Gradnetz glaskaart van Fliegerhorst Deelen

    Op 18 september 2024 bezocht ik Museum Vliegbasis Deelen.

    Op de bovenverdieping wordt een Gradnetz glaskaart gerestaureerd. Deze ligt in duizenden stukjes en moet als een puzzel in elkaar gezet worden. Een vrijwilliger van het museum was zo vriendelijk en nodigde me uit om de voortgang te komen bekijken.

    Een belangrijk gebouw op ‘Klein Heidekamp’ is de Gevechtsleiding/Commandopost, de ‘Geschwader befehlstelle’. Oberst Falck had hier zijn kantoor. Hier kwam ook informatie binnen dat verwerkt was in Diogenes. Hier werd na de oorlog een kapot geslagen glasplaat gevonden. Deze 2 bij 3 meter grote plaat, de zogenaamde ‘Gradnetz’, bevatte vlakverdelingen waar posities van vliegtuigen op aangegeven werd.

    Na het bezoek aan het museum bezocht ik ook bunker Diogenes. Deze bunker fungeerde vanaf eind 1943 als regionaal commandocentrum voor de Duitse nachtjacht en luchtverdediging in een groot deel van Noordwest-Europa. In de bunker (met een nog veel grotere glazen Gradnetz-kaart) kwamen alle radarwaarnemingen, peilberichten en waarnemingen van jagers samen. Onder andere Würzburg Riese raders stuurden hun data naar de bunker. In de bunker werden o.a. de radarposities geplot op de glazen kaart door de Luftwaffenhelferinnen (Blitzmädel) met lichtpuntjes.

  9. Würzburg Riese radar museum Overloon

    Op 27 december 2025 bezocht ik museum Overloon.

    In de voertuigen hal, achter een vrachtwagen, staat tegen de buitenmuur een gedemonteerde Würzburg Riese radar. Dit type radar werd eind jaren 30, begin jaren 40, ontwikkeld door Telefunken. De parabolische antenne werd geproduceerd door Luftschiffbau Zeppelin. Deze radars werden door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor het nauwkeurig volgen van vijandelijke bommenwerpers en om luchtafweer en nachtjagers aan te sturen. Ik heb begrepen dat deze eerder buiten het museum heeft gestaan maar dat hij had te lijden onder de elementen. Van een aanwezige vrijwilliger begreep ik dat hij hier nu ligt te wachten op restauratie.

    Deze radar heeft met nog twee andere Würzburg Riese radars bij Radio Kootwijk gestaan. Ze werden in de jaren 50 door Nederlandse astronomen gebruikt om de melkweg in kaart te brengen en zonneonderzoek te doen. Één van de radar schotels staat nu bij museum vliegbasis Deelen, een tweede bij Oorlogsmuseum Overloon en een derde radar staat bij Planetron in Dwingeloo.

  10. De Friesenwall

    Ik lees De Friesenwall, over de geschiedenis van de concentratiekampen Husum-Schwesing en Ladelund.

    De Friesenwall was tijdens de Tweede Wereldoorlog een geplande, maar slechts deels voltooide, verdedigingsconstructie aan de Noordzeekust van Duitsland. Met de bouw hiervan werd tegen het einde van de oorlog begonnen.
    De hele verdediginslinie was in militair opzicht zinloos. Het grootste deel van de werken werd na de oorlog opgevuld. Aan de kust zijn nog enkele ruïnes van bunkers en tankversperringen overgebleven.